Welfare and health of dairy cows; effect of milk production level on adaptive capacity and cellular defence. Deel II: Effects of milk production level on cellular defence mechanisms and susceptibility for mastitis around parturition.

Coördinator: Prof. dr. E.N. Noordhuizen-Stassen
Onderzoeker(s): Drs. J.E. Kornalijnslijper
Projectperiode: januari 1998 - juni 2003

Resultaten
Een van de belangrijkste resultaten uit het proefschrift was dat hoogproductieve koeien in principe even goed in staat waren om te gaan met een geïnduceerde uierontsteking als hun lager productieve koppelgenoten. Dit wijst op het feit dat het afweersysteem van deze koeien niet is aangetast wanneer ze onder optimale omstandigheden, m.n. wat betreft de voeding, worden gehouden. Dit resultaat is in april 2003 het onderwerp geweest van een persbericht van het NWO dat naar de landelijke pers is gestuurd. De tekst van het persbericht wordt hieronder vermeld met aansluitend een aantal discussiepunten over de (on)mogelijkheid deze resultaten te vertalen naar gezondheid en welzijn van hoogproductieve melkkoeien in de praktijk.

Persbericht: Supermelkkoe niet eerder ziek

Tegen de heersende verwachting in blijken koeien met een zeer hoge melkproductie niet vatbaarder voor ziekte dan koeien die minder melk geven. Dit is één van de conclusies uit het door NWO gefinancierde promotieonderzoek van Esther Kornalijnslijper. Op 10 april licht zij haar resultaten toe op het symposium 'Grenzen aan Welzijn & Dierlijke Productie' in Utrecht.

Het idee heerste dat koeien die heel veel melk produceren eerder ziek worden, omdat er teveel van hun lichaam wordt geëist. Om dit idee te toetsen, infecteerde Esther Kornalijnslijper een aantal koeien in de uier met de bacterie E. coli, die uierontsteking veroorzaakt. Vervolgens bestudeerde de onderzoekster hoe lang het duurde voordat de ziektekiemen uit het lichaam van de koeien waren verdwenen. Er bleek geen verschil te zijn in het ziekteverloop tussen koeien met een hoge versus een lage melkproductie.

Voor haar onderzoek infecteerde promovendus Kornalijnslijper 36 melkkoeien. Op basis van hun productie in de voorgaande melkperiode selecteerde de onderzoekster achttien hoogproductieve koeien uit het bestand van de proefboerderij van onderzoeksinstituut ID-Lelystad. Deze groep vulde zij aan met achttien koeien die onderaan de ranglijst van het bedrijf waren geëindigd. Gedurende drie weken voor en drie weken na het kalven nam Kornalijnslijper geregeld bloed en melk af om het ziekteverloop te volgen.

Verrassend genoeg vertoonden beide groepen dieren hetzelfde ziekteverloop. De onderzoekster concludeert hieruit dat de afweer tegen uierontsteking van de hoogproductieve koeien niet direct wordt aangetast door hun melkproductie.

Met deze conclusie zegt de onderzoekster allerminst een pleidooi te houden voor het onbeperkt verhogen van de melkproductie van koeien. Bij deze discussie spelen nog vele andere aspecten, zoals de voedingsconditie van de koeien op het bedrijf. Tijdens het experiment zijn de koeien individueel gevoerd en hebben in alle gevallen voldoende en goed voer gekregen. Onder praktijkomstandigheden is dit niet altijd even makkelijk te realiseren.
Ook is in dit onderzoek slechts de afweer van de koe gemeten en niet haar welbevinden. Dit maakt het stellen van ethische en welzijnsvragen op het komende symposium des te belangrijker.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat het aanpassingsvermogen van hoog productieve melkkoeien hen in staat stelt op een effectieve wijze om te gaan met stressoren uit de omgeving. In de praktijk worden echter grote verschillen in gezondheid en welzijn van melkkoeien tussen bedrijven gezien. Het ligt dus voor de hand om nu in eerste instantie te concentreren op het achterhalen van factoren die van invloed zijn in de praktijksituatie. Ook zou het met behulp van de reeds beschikbare gegevens over gezondheid en welzijn van melkkoeien mogelijk moeten ze richtlijnen voor de praktijk samen te stellen om het welzijn van koeien te behouden en bewaken. Hopelijk kunnen we op die manier een bijdrage leveren om trends met negatieve effecten op het welzijn van melkkoeien (bijvoorbeeld het jaarrond binnenhouden van koeien) te doorbreken.