Programme
co-ordinator: Dr. ir. H.J.
Blokhuis (WUR)
Programme period 1999 - 2003
Projects:
Project: 806.46.051
Projectleader: Dr. S.M. de Korte (WUR)
PhD-student: Ir. Y.M. van Hierden (1999 – 2003)
Project: 806.46.052
Projectleader: Dr. P. Koene (WUR)
PhD-student: Ir. T.B. Rodenburg (1999 – 2003)
Project: 806.46.053
Projectleader: Dr. T.G.G. Groothuis (RUG)
PhD-student: Drs. B. Riedstra (1999 – 2003)
Project: 806.46.054
Projectleader: Dr. J.J. van der Poel (WUR)
PhD-student: Ing. A.J. Buitenhuis (1999 – 2003)
Summary
Feather pecking
is one of the major welfare problems of commercially kept poultry. Birds may be
severely pecked and even pecked to death. Remedial measures currently practised
by the poultry industry (e.g. beak trimming, dim light) have associated welfare
problems. Moreover, the introduction of otherwise animal-friendly alternatives
to battery cage housing of laying hens is seriously hampered by the increased
risk of feather pecking.
It is generally
accepted that either pecking is a form of redirected pecking, belonging to
either foraging, explorative or dust bathing behaviour. Therefore, most studies
of feather pecking have analysed to what extent specific aspects of the
environment influence the redirection of pecking towards other birds. However,
no single causal factor was identified and clearly the development of feather
pecking reflects multi-factorial processes.
Larges
inter-individual differences in the propensity for feather pecking are often
reported. Also different genetic lines of laying hens may show profound
differences in this behaviour. These data indicate that apart from external
conditions also individual characteristics of coping with these conditions
(coping style) contribute significantly to feather pecking. This urges for a
better understanding of these characteristics and their (onto)genetic basis.
The goal of
this proposal is to gain knowledge of behavioural and physiological bird
characteristics that predispose for feather pecking, their ontogenetic
plasticity and genetic background. To this end we integrate the expertise of
the four most important applied and fundamentally oriented research groups in
The Netherlands working on the ethology, physiology, ontogeny and genetics of
fowl. In an integrated way four PhD projects will focus on feather pecking and
coping style, each from its own perspective. The projects are integrated in the
groups' ongoing work and, through national and international collaboration,
complement ongoing work on feather pecking at home and abroad.
To this end we
will use two genetic lines of laying hens which are predisposed to show high
and low levels of feather pecking and associated differences in coping style.
This represents a unique opportunity to study this abnormal behaviour but it
also offers an immediate advantage in our pursuit of the above objectives.
The results
contribute to the understanding of the mechanisms and processes involved in the
development and expression of feather pecking and stress mechanisms in individual
birds and its genetic control. This knowledge is essential to develop new
strategies (for farmers as well as breeders) to prevent feather pecking that
replaces beak trimming and enhances poultry welfare.
Results
project 806.46.051
Vraagstelling: Is er een causaal verband tussen corticosteroiden
niveau en verenpikken.
Experiment: Het effect van mineralocorticoid receptor (MR)
blokkade (d.m.v. spironolactone) op de mate van verenpikken in beide lijnen.
Voorlopige conclusie is dat MR blokkade geen significant effect
heeft op de gemiddelde niveaus van verenpikken in de HFP en LFP lijn op 14 en
28 dagen leeftijd. Verdere statistische analyse loopt nog. Er zal o.a. een
zogenaamde ‘sequence analysis’ worden uitgevoerd, waarbij gekeken wordt welke
gedragselementen het meest vooraf gaan en volgen op verenpikgedrag. Hiermee zou
een uitspraak gedaan kunnen worden over de onderliggende motivatie voor
verenpikken.
Verder zullen over lijnen heen dieren worden ingedeeld op hoog
en laag verenpikken op basis van de mediaan (per leeftijd). Vervolgens zal weer
gekeken worden of er een effect is van spironolactone behandeling op
verenpikken en andere gedragselementen.
Vraagstelling: Is er een causaal verband tussen centrale
serotonine en dopamine afgifte en verenpikken?
Experiment: Invloed van serotonerge afgifte remmer op
verenpikken.
Om dit experiment te kunnen uitvoeren werden er eerst pilot
experimenten uitgevoerd. Recent is aangetoond dat kuikens van de hoog en laag
verenpiklijn (resp. HFP en LFP) na blootstelling aan een stressor niet alleen
verschillen in corticosteron respons, maar ook in serotonine (5-HT) en dopamine
(DA) turnover in de hersenen. HFP kuikens hebben zowel lagere plasma
corticosteron niveaus als lagere 5-HT en DA turnover in de hersenen dan LFP kuikens. Er zijn aanwijzingen dat het serotonerge en
het dopaminerge systeem betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van
(abnormaal) gedrag in mens en (landbouwhuis)dier. Beide systemen spelen
bijvoorbeeld een rol bij stereotiep gedrag en OCD (Obsessive Compulsive
Disorder). Verenpikken bij papegaaien (het uittrekken van eigen veren) is een
voorbeeld van dergelijk abnormaal gedrag. Behandeling van deze dieren, met
stoffen die inwerken op het serotonerge (en dopaminerge) systeem, zogenaamde
re-uptake blokkers (SSRI’s), blijkt uiterst effectief in het verminderen van
verenpikken. Verenpikken (pikken naar de veren van soortgenoten) bij leghennen
vertoont wat betreft (mogelijke) oorzaken en vorm van het gedrag sterke
overeenkomsten met het verenpikken bij papegaaien (stereotiep, dwangmatig
pikken, nauwelijks meer reageren op prikkels uit de omgeving). Dit leidt tot de
hypothese dat het serotonerge systeem in de hersenen van leghennen betrokken is
bij het ontstaan en uitvoeren van verenpikken.
In ratten en muizen is aangetoond dat een verschil in coping
strategie tussen individuen o.a. het gevolg is van een verschil in de balans
tussen 5-HT productie en het aantal c.q. gevoeligheid van (pre- en
postsynaptische) 5-HT receptoren in de hersenen (er zijn verschillende typen
5-HT receptoren en vele subtypen).
Met de stof S-15535 kan op een hele specifieke en robuuste
manier het serotonerge systeem in de hersenen worden gemanipuleerd. S-15535
verlaagt bij acute toediening de productie cq turnover van 5-HT in de hersenen
(door binding aan specifieke 5-HT receptoren). Verder heeft S-15535 een
anxiolytische werking en heeft het een effect op sociaal gedrag
Er zijn sterke aanwijzingen dat dieren van de HFP lijn een
proactieve copingstrategie hebben. Deze aanname, in combinatie met het feit dat
HFP dieren een lagere serotonine-turnover hebben leidt tot de hypothese dat bij
toediening van S-15535 aan HFP dieren (door een nog verdere verlaging van de
5-HT turnover), deze nog zich nog proactiever zullen gaan gedragen en wellicht
meer zullen gaan verenpikken.
Om de effectieve dosis van S-15535 te bepalen werden twee
gedragstesten (pilot experimenten) uitgevoerd: “manual restraint” en “Social
reinstatement test (“runway”)
Manual restraint.
Op dag 28/29 leeftijd werden 60 HFP kuikens subcutaan
geinjecteerd met S-15535 (0, 0.4, 0.8, 4.0 en 8.0 mg/kg lichaamsgewicht; n=12
per dosering). Alle 5 dieren per kooi kregen een verschillende dosering
S-15535. Een half uur na injectie werden geïnjecteerde kuikens tegelijkertijd
uit de kooi gehaald en 5 minuten blootgesteld aan restraint stress (manual
restraint). Tijdens de manual restraint
test werd het aantal vocalisaties en het aantal keren verzet gescoord. Direct
aansluitend werden de dieren gedecapiteerd en de hersenen verwijderd. In de hersenen zal (in de loop van 2002) de
serotonine turnover worden gemeten.
HFP kuikens behandelt met 4.0 en 8.0 mg/kg S-15535 hadden een
significant groter aantal keren verzet en vocalisaties en een significant korte
latentietijd tot eerste keer verzet en vocaliseren t.o.v de overige doseringen
(p< 0.001). Het aantal keren verzet en de latentietijd tot eerste verzet
verschilde niet tussen 0, 0.4 en 0.8 mg/kg. Het aantal vocalisaties was
significant hoger in de 0.4 en 0.8 groep t.o.v van de controle groep (p<
0.001).
De resultaten duiden erop dat HFP dieren inderdaad proactiever
worden bij behandeling met S-15535. De resultaten van de turnover metingen
worden in het voorjaar van 2002 bekend.
Social
reinstatement test (“runway”)
Op dag 35/36 leeftijd werden nogmaals 60 HFP kuikens subcutaan
geïnjecteerd met S-15535 (0, 0.4, 0.8, 4.0 en 8.0 mg/kg lichaamsgewicht; n=12
per dosering) Alle kuikens per kooi
kregen een andere dosering S-15535. 30
minuten na injectie werd een kuiken getest in de ‘runway’.
In de social runway wordt een kuiken gedurende 1 minuut
individueel in een startbox geplaatst. De startbox bevindt zich aan ene zijde
van een 1½ meter lange “runway”. Aan de andere kant van de “runway” bevindt
zich de “goalbox” waarin zich 3 à 4 kuikens bevinden. Na 1 minuut krijgt het
kuiken toegang tot de runway. De latentietijd tot het verlaten van de startbox
en de tijd tot het bereiken van de goalbox wordt gemeten (en geldt als maat
voor sociale motivatie). Tevens worden de latentietijd tot vocaliseren en het
aantal vocalisaties gemeten. De maximale tijdsduur van de test is 6 minuten (1
minuut ‘start box’ en 5 minuten in de runway). Na afloop van de test werd het testkuiken teruggeplaatst in de
thuiskooi. De voorlopige analyse van de resultaten laten zien dat behandeling
met S-15535 geen effect heeft op het gedrag in de runway.
Vraagstelling: Is er een causaal verband tussen centrale serotonine en
dopamine afgifte en verenpikken?
Experiment:
Invloed van dopamine receptor agonist op gedrag en verenpikken.
Apomorphine pilot
Apomorphine (APO) is een dopamine agonist, die bij acute
toediening een dosis-afhankelijke gedragsrespons laat zien in verschillende
diersoorten. De gedragsrespons kenmerkt zich door stereotype bewegingen. In
verscheidene experimenten is aangetoond dat injectie met APO bij vogels
stereotiep pikgedrag (naar o.a. tenen, kammen, omgeving) en stereotiep lopen
tot gevolg heeft.
Proactieve copers laten een significant grotere gedragsrespons
zien na apomorphine injectie dan
reactieve dieren.
Zoals al eerder vermeld hebben HFP dieren een significant lagere
DA-turnover na een stressor dan LFP
dieren. Het vermoeden bestaat dat
derhalve de HFP dieren een gevoeliger DA receptor systeem hebben. In een toekomstig experiment willen we de
hypothese toetsen dat proactieve HFP kuikens gevoeliger zijn voor APO (dwz een
grotere pikrespons laten zien) dan reactieve LFP kuikens en dat zij hun
pikgedrag meer op elkaar zullen richten dan LFP kuikens.
Uit verschillende studies is gebleken dat bij kuikens 0.5 mg/kg
lichaamsgewicht de meest effectieve dosering APO is voor een optimale
gedragsrespons.
In deze pilot wilden we dan ook voornamelijk bekijken hoe de gedragsrespons op APO
injectie er precies uitziet en of het mogelijk is het gedrag direct te scoren
of dat video-opnamen nodig zijn. Voor
deze pilot hebben 20 kuikens (leeftijd 35 dagen) een intramusculaire injectie
(borstspier) met APO gekregen (5 dieren per dosering; 0, 0.25, 0.5 en 1.0 mg/kg
lichaamsgewicht). Ze werden na injectie teruggeplaatst in de groep en hun
gedrag werd m.b.v. een videocamera vastgelegd (half uur per kooi).
Het uitwerken van de videobanden is nog niet afgerond.
Publications:
project 806.46.052
In dit deelproject wordt onderzoek gedaan naar de relatie tussen
gedragskenmerken en verenpikken. De voornaamste aandacht ligt bij de relatie
tussen verenpikken en omgaan met stress en frustratie. Voor dit deelproject
wordt gebruik gemaakt van dezelfde kippenlijnen als in andere deelprojecten: de
veel verenpikkende HFP lijn en de weinig verenpikkende LFP lijn.
Taak 1.
Sociaal gedrag en verenpikken: welke test kan het beste gebruikt
worden om verenpikken te meten? Er is gekeken naar de ontwikkeling van het
pikgedrag in de thuiskooi en een drietal verenpiktesten zijn met elkaar
vergeleken: twee sociale testen, één met een bosje veren en één zonder bosje
veren en één individuele test met een bosje veren. Het lijkt erop dat de
sociale testen het meest bruikbaar zijn om verenpikken te meten. In de
individuele test waren het juist de LFP dieren die meer op het bosje veren
pikken. Sociale aspecten zijn blijkbaar erg belangrijk bij de ontwikkeling van
verenpikken. Een ander opvallen resultaat was dat HFP dieren bij herhaling van
de individuele test steeds meer gingen vocaliseren, terwijl het aantal
vocalisaties bij de LFP dieren juist afnam. In 2001 is er een begin gemaakt aan
een artikel over dit experiment. Dit artikel zal begin 2002 worden voltooid.
Taak 2./4.
Verenpikken en reactie op frustratie in de veel verenpikkende (HFP) en de
weinig verenpikkende (LFP) lijn in Skinnerboxen en dubbele loopgang. In
zogenaamde Skinnerboxen worden de verschillen in reactie op frustratie tussen
de gebruikte HFP en LFP lijnen geanalyseerd. Het eerste experiment liet zien
dat de kippen van de LFP lijn tijdens frustratie meer op het afgedekte
voerbakje en de knoppen pikten dan dieren van de HFP lijn. Als er een bosje
veren werd aangeboden in Skinnerbox, pikten de dieren hier nauwelijks op. De
gegevens van dit experiment zijn in 2001 beschreven in een artikel. Dit artikel
is in januari 2002 aangeboden ter publicatie. Ook zijn experimenten gedaan met
HFP en LFP dieren uit verschillende opgroeicondities, afkomstig uit project C.
Naast de Skinnerbox-experimenten zijn experimenten gedaan in de
dubbele loopgang. De test is gebaseerd op de frustratie-theorie van Amsel: het
ontbreken van een beloning leidt tot een hogere loopsnelheid in het tweede deel
van de loopgang, het zogenaamde frustratie-effect. In een eerste experiment is
de eerste reactie op de loopgang van 30 HFP en 30 LFP kippen bestudeerd. LFP
dieren begonnen sneller met grondpikken en pikten meer. Hierna zijn 10 dieren
per lijn getraind om voor een voerbeloning de loopgang door de lopen. Hierbij
viel op dat LFP dieren sneller het trainingscriterium haalden dan HFP dieren.
Tijdens frustratie troffen de dieren in de voerbak geen beloning aan. Het
frustratie-effect op loopsnelheid is nog niet teruggevonden bij deze lijnen.
Taak 3.
Gedragsgenetica van verenpikken: gedrag, fysiologie en genetica van een
kruisingsgeneratie van de HFP en de LFP lijnen (i.s.m. project D en project A).
In de zomer van 2000 is een groot experiment van start gegaan met een
kruisingsgeneratie van de HFP en de LFP lijnen. Op een leeftijd van 5 weken
zijn alle 630 dieren getest in een Open-veld test en een sociale verenpiktest.
Deze testen zijn herhaald op een leeftijd van 30 weken in de perioden februari
t/m april 2001. De gedragsgenetische analyse van verenpikken en open-veld
gedrag wordt gedaan i.s.m. Bart Buitenhuis (project D). Ook worden verbanden
tussen verenpikken en stressrespons geanalyseerd i.s.m. Yvonne van Hierden
(project A). Op een leeftijd van 5 weken vinden we een lage erfelijkheidsgraad
van hard verenpikken was niet in te schatten, mogelijk doordat het op deze
leeftijd te weinig voorkomt. Zacht verenpikken op 5 weken was positief
gecorreleerd met grondpikken in de sociale test en met hoge activiteit en veel
vocalisaties in de open-veld test.
In september 2001 zijn extreme verenpikken en ontvangers van
verenpikken getraind in de Skinnerbox om een mogelijk verband tussen
verenpikken en omgaan met frustratie verder te kunnen onderzoeken. Deze dieren
zijn onderworpen aan frustratiesessies met en zonder publiekskip. De data
worden op dit moment geanalyseerd.
Publications
project 806.46.053
In de eerste helft van 2001 werd een experiment begonnen in 2000
succesvol afgerond (I) en werden twee experimenten met goed gevolg gestart en
afgerond (II, III). 1) In october 2000 werd, als follow up van een experiment
uitgevoerd eerder dat jaar, een experiment opgezet waarbij kuikens van de hoge
en de lage verenpik lijn opgroeiden bij een moeder of zonder moeder. Na 4 weken
werden kuikens opgroeiend bij een moeder (als familie) geherhuisvest met
kuikens opgroeiend zonder moeder. Naast observaties aan verenpikken werden
enkele klassieke stress gerelateerde testjes uitgevoerd.
De eerste resultaten laten zijn dat kuikens opgroeiend bij een
moeder tijdens de opgroei periode (4 weken) niet verschilden in de frequentie
van verenpikken van kuikens opgroeiend zonder moeder. Wel bleek dat tijdens de
opgroei periode de moeder een aantrekkelijk pik “object” was. En tijdens de
opgroeiperiode reageerden kuikens opgroeiend zonder moeder sterker op
stressoren dan kuikens opgroeiend bij een moeder. Na herhuisvesting (samen
huisvesten van moeder met niet moeder groepjes) bleek de verenpikken frequentie
toe te nemen. Daarnaast pikten moeder groepjes direct na herhuisvesting juist
naar onbekende kuikens terwijl niet-moeder groepjes geen onderscheid tussen
bekende en onbekende kuikens leken te maken.
Wanneer op een leeftijd van 8 weken (4 weken na herhuisvesting)
een nieuw kuiken in zo’n groep geïntroduceerd werd, werd dit kuiken zeer
veelvuldig geverenpikt en niet-moeder kuikens deden dit beduidend meer naar dit
onbekende kuiken dan de moeder kuikens. In de herhuisvestingsconditie bleek
vooral een groot verschil tussen de hoge en de lage verenpik lijn. Er mag dus
geconcludeerd worden dat het niet aanwezig zijn van de moeder tijdens de
opfok resulteert in 1) een sterkere
stress respons gedurende deze periode, 2) een andere pikoriëntatie en 3) een
langdurig effect op de frequentie van verenpikken wanneer een nieuw kuiken
wordt geïntroduceerd.
Na dertien weken werden hennen uit deze groepen gehuisvest in
groepen van vier op rooster bodems teneinde de relatie tussen ernstige en milde
vormen van verenpikken te onderzoeken. Hieruit bleek dat op het moment dat
ernstig verenpikken ontstaat dit een duidelijke relatie heeft met mild
verenpikken.
Daarnaast bleek dat wanneer ernstige verenpikken zich
ontwikkeld, dit ernstig verenpikken voornamelijk voorkomt in bouts van mild
verenpikken. Ernstige vormen van verenpikken lijken dus een geïntensiveerde
vorm van mild verenpikken te zijn. Daarnaast bleek dat de sociale structuur
(pikorde) in belangrijke mate bepaalt wie verenpikt en wie geverenpikt wordt.
Bovenstaande resultaten worden momenteel verwerkt in een manuscript dat ter
publicatie aan een wetenschappelijk tijdschrift zal worden aangeboden.
II. Uit voorgaande experiment bleek dat wanneer onbekende
kuikens elkaar tegen komen dit tot een verhoogde expressie van verenpikken
lijdt en dat de richting van verenpikken (wie pikt wie) afhankelijk is van
opgroei achtergrond. Hieruit ontstond het idee dat vroeg verenpikken een vorm
van sociale exploratie is. Om deze hypothese te onderzoeken werden kuikens over
een korte periode veelvuldig geherhuisvest waarbij in de controle groep de
sociale groepscompositie gelijk bleef en in de experimentele groep kuikens
paarsgewijs bij elke herhuisvesting in een andere groepscompositie geplaatst
werden (met voor hen onbekende soortgenootjes).
Hieruit kwamen drie belangrijke resultaten naar voren 1) Kuikens
die veelvuldig met nieuwe kuikens geherhuisvest werden verenpikten meer dan
kuikens die bij elke herhuisvesting in de gelijke groeps compositie bleven. 2)
Direct na herhuisvesting was het pikken in de experimentele groepen vooral op
de onbekende kuikens gericht en 3) Kuikens uit de experimentele groepen hadden
een verhoogde tonic immobility, hetgeen wijst op chronische sociale stress bij
het veelvuldig ontmoeten van onbekende soortgenoten. Experiment 2 is
gepresenteerd in California als oral paper en verschenen als abstract in de
proceedings van het congres. Bovendien zijn de resultaten als manuscript
aangeboden aan Applied Animal Behaviour Science (Elsevier).
III: Dieren die leven in grote groepen hebben niet altijd de
mogelijkheid gedrag ten volle uit te voeren. Een van de gedragingen die
regelmatig gestoord wordt, is slaap. Een verstoorde slaap zou mogelijk kunnen
leiden tot een activatie van het stress systeem. Als follow up van een slaap
experiment in 2000, werd dit jaar onderzocht of slaaponthouding gedurende de
dag (jonge kippen slapen veelvuldig gedurende de dag) leidt tot een verlaging
in het percentage unihemisferische slaap (één brein helft slaapt, de andere
helft is alert) en of dit samen hangt met de individuele tonic immobility
response. Beide bleek het geval te zijn.
IV. In de tweede helft van 2001 werd begonnen met een experiment
waarin kuikens tijdens de embryonale ontwikkeling aan licht worden
blootgesteld: wanneer kippenembryo’s laat in de ontwikkeling licht ontvangen
(door de eischaal) heeft dit tot gevolg dat de visuele banen van het oog naar
de thalamus zich ontwikkelen. Embryo’s liggen meestal met het rechteroog zo in
het ei dat alleen dit oog licht ontvangt (Vogels hebben i.t.t. zoogdieren sterk
gescheiden oog-brein projecties). In het geval dat het een oog licht ontvangt
vindt er asymmetrische ontwikkeling van de linker en rechter banen plaats,
wanneer dit niet het geval is vindt er symmetrische ontwikkeling van de
projecties plaats. De normale asymmetrische ontwikkeling heeft functionele
consequenties op gedragsniveau betreffende angst, vorming van sociale
groepsstructuren en sociale herkenning.
Deze drie factoren spelen een rol in de vroege expressie van
verenpikken. De eerste resultaten zijn zeer veelbelovend: Kuikens die licht
ontvingen gedurende de late ontwikkeling verenpikten meer en “licht” kuikens
discrimineerden minder tussen bekenden en onbekenden tijdens
herkenningstestjes. Het effect van lateralisatie op verenpikken wordt op dit
moment verder uitgediept.
Concluderend kan worden gemeld dat het project voorspoedig
verloopt en dat nieuwe inzichten m.b.t. vroege factoren die de expressie van
verenpikken beïnvloeden wellicht gemakkelijke naar de praktijk te vertalen
zijn.
Publications
project 806.46.054
Comparative en physical mapping en isolatie van kippen BAC
klonen. Wij hebben een vergelijkende genenkaart gemaakt van kippen chromosoom
GGA13 en humaan chromosoom HSA5, omdat er een sterk vermoeden was, op basis van
homologie tussen kip GGA13 en mens HSA5q23-q35, dat het glucocorticoid receptor
kandidaat gen (NR3C1) (HSA5q31) ook bij de kip op GGA13 zou liggen.
Gebuikmakend van de 14 beschikbare micro-satelliet merkers zijn uit onze eigen
kippen BAC bank (Bacterial Articifical Chromosome) BACs geïdentificeerd voor
die merkers op micro-chromosoom GGA 13. Door selectief DNA volgorden te bepalen
van uiteinden van de BACs zijn extra start c.q. markeringspunten gecreëerd zgn
STS (sequence tagged sites). Deze STS zijn nodig om overlappende BACs te vinden
en zo een contig te maken van GGA 13. In totaal zijn 57 STS ontwikkeld en 204
BAC klonen geïdentificeerd die een stuk van GGA 13 bevatten. In totaal beslaan
deze 204 BAC klonen ongeveer 20% van het totale chromosoom. Een 40-tal BAC
klonen is gesubcloneerd en gesequenced.
De verkregen DNA sequenties zijn elektronisch vergeleken met
humane databanken door middel van het programma BLAST. Een aanvullende
benadering is geweest om uitgaande van bij de mens bekende genen op HSA5 de
homologie kippen genen te zoeken, de corresponderende BAC klonen te
identificeren en deze te plaatsen op het kippen genoom m.b.v. moleculaire
technieken zoals Single Nucleotide Polymorphism (SNP)-typing en Fluorescent in
situ Hybridisation (FISH). Het gebruik van deze 2 manieren heeft ertoe geleid dat
er in totaal 14 genen (GABRA1, GABRA6, GABRG2, KIAA1673, FLJ12686, KIAA0731,
C5ORF4, CNOT8, FLJ10290, MADH5, UBE2B, KIAA0837, NR3C1) zijn geplaatst naast de
6 genen (CDX1, MSX2, POU4F3, SPARC, IRF1, CAMLG) die al eerder geplaatst zijn.
Het glucocorticoid receptor kandidaat gen (NR3C1), dat in het kader van dit
project interessant is, is ook geïdentificeerd en geplaatst op chromosoom
GGA13. Al deze genen zijn afkomstig uit het gebied van humaan chromosoom
HSA5q23-5q35. Daarmee is er een gedegen vergelijkende kaart gemaakt tussen HSA5
en GGA13. Dit gedeelte van het project is afgerond met een paper (submitted to
Animal Genetics).
De F2 testpopulatie. In januari 2001 zijn we gestart met het
genotyperen. In totaal worden er 176 merkers (13 sets met elk ongeveer 14
microsatelliet merkers) gebruikt om de 654 F2 dieren te testen (117066
genotyperingen). In 2001 zijn 11 sets afgewerkt (100716 genotyperingen), de 2
overige sets worden in januari 2002 afgemaakt (16350 genotyperingen). Daarnaast
is ook begonnen met het controleren van de genotyperingen. Dit gaat volgens een
standaard procedure: eerst loopt degene die ook de PCR reacties en de gels
draait, alle genotyperingen handmatig door, daarna kijkt een onafhankelijk
iemand nog eens naar de typeringen en vervolgens worden de typeringen
opgeslagen in een database. In deze database worden de gegevens gerangschikt en
nog een keer gecontroleerd mbv een computerprogramma (Crimap). We zijn u
ongeveer op de helft met controleren van de sets die al gedraaid zijn. De genotyperingen
op deze manier invoeren en controleren is een noodzakelijke stap om het
uiteindelijke doel te behalen, nl. het uitvoeren van QTL-analyse.
De fenotypische kenmerken die in het kader van project B
(individuele verenpik test, Open-field test) zijn ook dit jaar afgerond.
Daarnaast is de Manual Restraint test uitgevoerd in samenwerking en afstemming
met project A. Ook zijn een tweetal immunologische parameters meegenomen
(primaire antilichaam titers tegen de antigenen KLH-DNP en Myco butyricum), om
te onderzoeken of gedragsparameters, cortisolniveau na Manual Restraint en
immuunresponse aan elkaar gerelateerd zijn. In de loop van 2002 kunnen we de
gedragsparameters, fysiologische parameters (cortisol niveau na manual
restraint) en immunologische parameters (primaire antilichaam titer tegen
KLH-DNP en Mico butyricum) met de genotypische data correleren (QTL-study).
Publications